|
|
. |
Een bidsprinkhaan gefotografeerd in Namibie . | Insecten
Algemeen Veel terrariumhouders kweken allerlei insecten als voedseldieren. Hierdoor raken zij al enigszins betrokken bij de grootste diergroep die er in het dierenrijk bestaat. De klasse van de insecten bestaat uit ruim 925.000 soorten. Iedereen heeft wel eens op enigerlei wijze met insecten te maken. De wesp die op de zoetigheid afkomt, de lastige muggen, de vlooien op de hond of kat, de fraaie vlinders op de bloemen in de tuin. De insectenwereld kent een ongelooflijke veelheid aan kleuren en vormen. Het is niet vreemd dat de terrariumhouder die toch al geboeid wordt door allerlei facetten uit de natuur ook insecten bijzondere aandacht geeft. Ik heb eens een artikel geschreven over roofwantsen voor Onder het Palmblad. . | Theopropus elegans Vrouw etend en parend . Het leggen van de eieren Meer info en foto's klik: (hier) . Sphodomantis gastrica . De larven uitkomend . | Bidsprinkhanen Veel terrariumhouders zijn er in de loop der tijd toe overgegaan om, naast reptielen en amfibieën, ook insecten te verzorgen. Veel insecten lenen zich prima voor het houden in een terrarium en planten zich massaal voort. Bidsprinkhanen zijn echte roofinsecten die zich met andere insecten voeden. Wat dat betreft passen ze prima in de collectie van een liefhebber die zelf voedselinsekten kweekt. Een probleem bij het verzorgen van bidsprinkhanen is dat ze gescheiden, in afzonderlijke verblijven moeten worden ondergebracht. Ze zijn uitermate kannibalistisch en zowel mannen als vrouwen moeten tot kort voor de paring gescheiden worden grootgebracht. Wanneer het wijfje geslachtsrijp is, zal haar achterlichaam zwellen van de eieren en zal zij een lokstof produceren om het mannetje naar zich toe te lokken en te verleiden. Bidsprinkhanen kunnen elkaar op deze wijze in de natuur vaak over grote afstanden vinden. Dit is het moment waarop een paring tot stand kan worden gebracht. Niet zelden bijt het wijfje het mannetje tijdens de paring de kop af. Als dat gebeurt treedt er een hormoon in werking dat het mannetje in staat stelt de paring af te maken. Na de paring dient hij dan als voedsel voor zijn nageslacht. Het vrouwtje produceert een legsel eieren dat vaak vele tientallen, soms honderden, eieren bevat. De jonge bidsprinkhanen kunnen met piepjonge krekeltjes of met fruitvliegen worden grootgebracht. De bekendste bidsprinkhaan is de Europese bidsprinkhaan of gewone (Mantis religiosa). Deze soort komt voor in het gehele Middellandsezeegebied. Zijn kleur is geelgroen tot bruin. Hij is slank en de wijfjes worden tot 8 cm. Er zijn veel soorten bidsprinkhanen in de liefhebberij bekend die prima te houden en te kweken zijn tot in vele generaties. . | Atlasvlinder zojuist uit de cocon gekomen . Rups van de Atlasvlinder . Atlasvlinder detail . | Vlinders Vlinders zijn insecten die als rups meestal weerstand oproepen en schadelijk zijn. De vlinders worden met meer romantische gevoelens bekeken en daarin schuilt een zekere paradox. Wanneer de liefhebber over de juiste voedselplanten kan beschikken in de periode dat de rupsen groeien is het mogelijk om verschillende soorten vlinders te kweken. Een gemakkelijk te kweken vlinder is het koolwitje (Pieris). Er bestaat een grote en een kleine soort. De rupsen van het koolwitje eten boerenkool en zijn gemakkelijk groot te brengen. Probleem is de enorme vraatzucht en een regelmatige aanvoer van de voedselplant moet verzekerd zijn. De vlinders zelf kunnen met een oplossing van druivensuiker in leven worden gehouden. De kweek geschiedt in grote vliegkooien en levert weinig problemen op. Deze vlinder kan op grote schaal, ook als voedseldier, worden gekweekt. Indrukwekkend groot wordt de Atlasvlinder (Ataccus atlas). De rupsen kunnen worden grootgebracht met liguster, een voedselplant die het gehele jaar door voor handen is. De rupsen, die ook weer bijzonder vraatzuchtig zijn, groeien uit tot circa 10 cm. De volgroeide rupsen verspinnen zich in een cocon en verpoppen daarin. Meestal hangt de cocon in een tak of iets dergelijks. Wanneer de vlinder tevoorschijn komt scheidt deze als eerste de tot dan toe opgeslagen afvalstoffen uit en hangt vervolgens enige tijd te drogen. Het is de kunst om bij het kweken met deze vlinder gelijktijdig voldoende mannen en vrouwen te laten uitkomen. De vlinders leven maar enkele dagen en moeten binnen die tijd een partner vinden om het nageslacht veilig te stellen. Atlasvlinders zijn in staat om elkaar over grote afstanden te vinden. Voor een topic over het Groot koolwit(je) klik: ( hier) | Extatosoma tiaratum Grote wandelende tak, parend . Het wijfje met beschermende doorns . Een wandelend blad . | Wandelende takken Eigenlijk net als voor vlinders geldt dat wandelende takken prima te houden en te kweken zijn wanneer maar over voldoende voedselplanten kan worden beschikt. Veel bekende wandelende takken eten liguster en klimop, maar er zijn er ook veel die rozenblad of braamblad eten. Andere wandelende takken zijn weer echte voedselspecialisten die een bepaalde voedselplant nodig hebben. Bekend voorbeeld zijn de varenwandelende takken die zich met varens voeden. De meest bekende wandelende tak is de Indische of gewone wandelende tak (Carausius morosus). Deze wordt veelal op scholen gehouden en gekweekt en door kinderen gehouden. Meestal wordt hij met klimop gevoed, maar de jonge dieren zijn ook aan het eten van liguster te wennen. De vrouwtjes zijn parthenogenetisch, d.w.z. dat de vrouwtjes geen mannen nodig hebben om bevrucht te worden. Zodra ze geslachtsrijp zijn kleuren de oksels van de volwassen wandelende takken rose. Ze leggen hun hele leven lang eieren die ze stuk voor stuk laten vallen. Ze kunnen honderden nakomelingen produceren. Als voedseldieren zijn deze wandelende takken niet zo geschikt: veel terrariumdieren lusten ze niet. Daarnaast zijn het dieren met een dusdanig teruggetrokken levenswijze, dat ze door predatoren moeilijk worden gevonden. Naast deze bekende gewone wandelende tak zijn er heel veel opvallend gevormde en bijzonder fraaie andere wandelende takken. Veel soorten vertonen een fraaie mimicry andere zijn weer mooi gecamoufleerd. Vooral de van roze- en braamblad levende soorten hebben vaak een opvallend bedoornd uiterlijk ontwikkeld, waardoor ze en zelf extra beschermd worden en nauwelijks opvallen op de voedselplant. Een mooi voorbeeld is Extatosoma tiaraturn, een bekende soort die regelmatig wordt aangeboden. De volwassen exemplaren lijken op een schorpioen en de nimfen lijken op de gevreede Australische buldogmieren. Vanwege de zware bedoorning en het harde chitinepantser zijn dergelijke wandelende takken volledig ongeschikt als voedseldier. . | Een grasanolis eet een krekel enkel het pootje steekt nog uit de bek. | Voedsel insekten Algemeen Levend voedsel voor terrariumdieren is vroeger jarenlang een groot probleem geweest voor de terrariumhouder. Immers, veel populaire terrariumdieren, voornamelijk de kleine tot middelgrote hagedissen en de amfibieën, zijn aangewezen op voedsel in de vorm van levende insecten. Tot enkele jaren geleden waren meelwormen en vliegenmaden eigenlijk de enige, gemakkelijk en regelmatig verkrijgbare levende insecten. Er kleefden echter wat bezwaren aan deze voedselinsekten. De harde chitinehuid van de meelwormen is voor kleine reptielen en amfibieën moeilijk verteerbaar en datzelfde geldt voor de maden, die daarnaast nog een extra probleem opleverden door na ingeslikt te zijn, nog enige tijd spartelend in de maag van het terrariumdier van hun levendigheid blijk te geven. De net uitgekomen vliegen hadden weinig voedingswaarde. Tegenwoordig is de situatie veel beter. De dierenhandel heeft zich op het artikel voedseldieren gestort en allerlei voedseldieren, variërend van fruitvliegen (Drosophila melanogaster) tot treksprinkhanen (Locusta migratoria), worden min of meer regelmatig aangeboden. Nu is het waarschijnlijk minder belangrijk dat we onze terrariumdieren een grote variatie aan voedseldieren te eten geven, dan dat we uit de variatie aan voedseldieren een paar soorten kunnen kiezen die overeenkomen met de voedseldieren die de dieren van nature gewend zijn om te eten. Immers, door dié voedseldieren met kalk- en vitaminepreparaten te bepoederen, kunnen deze aanzienlijk worden verrijkt. . | | | Zelf voedseldieren vangen In lente, zomer en herfst is het voor velen mogelijk om buiten zelf voedseldieren te vangen. Allerlei vliegen, vlinders en sprinkhanen kunnen worden gevonden. Met een stevig schepnet kan het zogenaamde ' weideplankton' worden gevangen door eenvoudig met dit net door het hoge gras te slaan. Veel kleine terrariumdieren (pijlgifkikkers!) zijn er verzot op. Wanneer u uit de verzameling gevangen insecten alleen de kleine soorten wilt geven, dan is het handig om de hele 'prop' gevangen insecten in een kooitje van fijnmazig gaas te doen, waaruit alleen de gewenste maat kan ontsnappen. De in het kooitje achtergebleven grotere insecten kunnen later aan grotere terrariumdieren worden gegeven. Sommige bloemen trekken veel vlinders aan, die daar gemakkelijk kunnen worden verzameld. Wormen zijn gemakkelijk te steken en vormen een prima voedseldier. Wel moeten we opletten, wáár we onze voedselinsekten vangen. Vermijd bermen, plaatsen langs drukke autowegen of industriegebieden. . | | | Zelf voedseldieren kweken Ondanks de huidige, verbeterde, situatie is het toch aan te bevelen om één of meerdere soorten voedseldieren zélf te kweken, om in tijd van onverwachte schaarste toch niet zonder te zitten. Een schaarste kán het gevolg zijn van plotselinge sterfte van insecten bij de beroepskweker ( ziekte of een virus in zijn kweken). Een eigen voedseldierenkweek is een buffer waarop men te allen tijde moet kunnen terugvallen. De toename van het voedseldierenaanbod via de dierenhandel en de verbeterde inzichten ten aanzien van vitaminepreparaten en het toedienen van kalk hebben in de terrariumhouderij voor een grote vooruitgang gezorgd. Steeds vaker kan deze hobby op een professionele wijze worden uitgeoefend. . | Meelwormen zijn altijd te koop | Meelwormen In het begin van de terrariumliefhebberij, aan het begin van de jaren zestig, was er nog weinig beschikbaar op het gebied van voedsel voor terrariumdieren. Eigenlijk waren er enkel meelwormen (Tenebrio molitor) beschikbaar. Deze meelwormen werden gekweekt door groothandelaren, hoofdzakelijk ten behoeve van de vogelliefhebberij. Toen reptielen en amfibieën als terrariumdieren in populariteit stegen, werden de meelwormen ook aan deze dieren gevoerd. Helaas liet de kwaliteit van de aangeboden meelwormen veel te wensen over. De meelwormen werden heel eenzijdig met zemelen gevoerd en hun voedingswaarde was uiterst gering. Bovendien hebben meelwormen een harde chitinehuid en zijn ze vooral voor kleine reptielen en amfibieën moeilijk te verteren. Om de voedingswaarde van meelwormen te verbeteren is het goed om ze zelf met hoogwaardige voedingsmaterialen te voeren. Dat komt de terrariumdieren ten goede. Het probleem met de chitinehuid blijft. Het is zinvol om wanneer er een periode lang met meelwormen wordt gevoerd, de temperatuur in het terrarium met een paar graden te verhogen. Dit stelt de dieren in staat hun voedsel gemakkelijker te verteren. De witte, pas vervelde meelwormen zijn nog niet uitgehard en daardoor wel goed te verteren. Door een stukje appel bij de meelwormen te leggen wordt het groei en vervellingproces een beetje versneld en kunnen er wat meer net vervelde meelwormen worden 'geoogst'. Meelwormen zijn alleseters, ze kunnen worden gevoerd met katte- en hondenvoer, groente en fruit, bruin brood, visvoer (forellenpellets) en vlees. Aan dit voedsel kunnen kalk en vitaminen worden toegevoegd. De poppen en de kevers van meelwormen worden maar door weinig dieren als voedsel geaccepteerd. Naast de gewone meelwormen zijn er momenteel ook regelmatig de kleine buffalowwormen en de veel grotere moriowormen beschikbaar via de gespecialiseerde dierenhandel. . | Een goed lopende krekelkweek levert een enorme hoeveelheid voedseldieren . Volwassen wijfje met legboor terwijl de net geboren jongen slechts iets meer dam een milimeter zijn . Een net vervelde volwassen geworden vrouwlijke krekel. De chitinehuid is nog wit en zacht. | Krekels Algemeen Krekels (Gryllidae) zijn er in allerlei vormen en maten. Er zijn circa 1.100 soorten bekend. Ze worden gekenmerkt door een relatief grote kop met lange sprieten en een cilindrisch gevormd lichaam. Evenals de sprinkhanen kunnen ze goed springen dankzij hun stevige springpoten. Deze springpoten zijn aan de achterzijde van de onderpoten bij de meeste krekelsoorten voorzien van twee rijen stevige stekels (doorns). De vrouwtjes hebben een legboor, waarmee zij hun eieren in de bodem kunnen prikken. Door deze legboor zijn mannen en vrouwen gemakkelijk van elkaar te onderscheiden. De meeste krekels leven op de grond en kunnen goed graven. Sommige soorten leven hoofdzakelijk in zelf gegraven holen. Ze voeden zich met zowel dierlijke als plantaardige kost. Ze komen voor in gematigde, subtropische en tropische gebieden. Krekels zijn algemeen bekend en berucht vanwege hun 'gesjirp'. Dat sjirpen doen ze met behulp van hun vleugels. De voorvleugels van de krekels zijn overlangs rechthoekig omgebogen, zodanig dat het binnenste deel plat over de rug ligt. Het buitenste deel ligt tegen de zijkant van het achterlijf. Bij het mannetje heeft het horizontale deel een 'geluidsorgaan'. Door hun vleugelbases langs elkaar te wrijven wordt het geluid geproduceerd. Het gesjirp dient om vrouwtjes te lokken. Tijdens onze vakantie in het Middellandsezeegebied is het een romantisch geluid. Ontsnapte krekels thuis, sjirpend achter de koelkast, achter plinten of onder het nachtkastje worden meestal als minder romantisch ervaren. In Nederland komt de veldkrekel (Gryllus campestris) voor. Deze soort leeft in heide- en bosachtige gebieden. Hij overwintert als larve. . De huiskrekel De huiskrekel (Acheta domestica) is voor de terrariumhouder verreweg het belangrijkste voedselinsect. Deze krekel is van oudsher een ' cultuurvolger'. Vroeger was hij al te vinden in bakkerijen, stokerijen en in keukens van restaurants. Hier en daar is hij nu nog te vinden op 'broeiende' vuilnisbelten. Hij is van nature afkomstig uit Zuid-Azie en Noord-Afrika. Al eeuwen geleden werd hij met de met handelsschepen meegebracht en wordt nu als inheems beschouwd. De laatste tijd breidt de huiskrekel zich weer uit en is regelmatig te vinden in o.a. grote flatgebouwen, waar hij z'n kostje zonder moeite bij elkaar scharrelt en in de winter plezier heeft van de centrale verwarming in dergelijke gebouwen. Voor de gemeentelijke ongedierte bestrijdingsdiensten is het, net zoals kakkerlakken, een moeilijk uit te roeien insect. Omdat de huiskrekel door vrijwel alle kleine tot middelgrote insecteneters graag wordt gegeten en gemakkelijk in grote aantallen te kweken is, vormt hij een bijna ideaal voedseldier. . De kweekruimte Huiskrekels kunt u kweken in niet al te kleine glazen of houten kweekbakken. De minimummaat is 60x30x30 cm. Vanwege het ontsnappingsgevaar van de krekels en de veelal daarop volgende ellende is het aan te bevelen de kweekbakken wèl goed te ventileren, maar voor de krekels hermetisch af te sluiten. Ventilatiegaten of -stroken kunnen worden afgedektmet grof bezinegaas. Kunststof gaas wordt kapot geknaagd! Door gewoon vliegengaas ont-snappen de jonge piepkleine krekels. Als bodem en afzetsubstraat voor de krekels kan gewone bloemistenaarde of een mengsel van turf en zand worden gebruikt. Ook kunnen speciale losse afzetbakjes voor de krekeleieren worden gebruikt. Let erop dat het afzetsubstraat niet té ondiep is en daardoor snel uitdroogt. In dat geval verdrogen tevens de eieren. Een bodem van 6 à 8 cm dik is wel voldoende. Het afzetsubstraat moet gedurende de gehele kweekperiode een klein beetje vochtig worden gehouden. Wanneer er teveel volwassen krekels in de kweekbak zitten, loopt men het risico dat ze de eieren opgraven en verorberen. Daarom is het rendabel om met 2 kweekbakken en verwisselbare eierafzetbakjes te werken. Het is echter mogelijk aanzienlijke aantallen krekels uit één kweekbak te halen, waarin zich de gehele cyclus onafgebroken afspeelt. Hier en daar is hij nu nog te vinden op 'broeiende' vuilnisbelten. Hij is van nature afkomstig uit Noord-Afrika. Al eeuwen geleden werd hij met de met handelsschepen meegebracht en wordt nu als inheems beschouwd. De laatste tijd breidt de huiskrekel zich weer uit en is regelmatig te vinden in o.a. grote flatgebouwen, waar hij z'n kostje zonder moeite bij elkaar scharrelt en in de winter plezier heeft van de centrale verwarming in dergelijke gebouwen. Voor de gemeentelijke ongedierte bestrijdingsdiensten is het een moeilijk uit te roeien insect. Omdat de huiskrekel door vrijwel alle kleine tot middelgrote insecteneters graag wordt gegeten en gemakkelijk in grote aantallen te kweken is, vormt hij een bijna ideaal voedseldier. . Temperatuur De temperatuur in de kweekbak mag behoorlijk hoog zijn. 40 graden Celsius onder de lampen en 30 à 35 graden Celsius in de rest van de kweekbak is voldoende. De bodemtemperatuur moet 28 à 30 graden Celsius zijn. De verwarming, die tevens de verlichting kan vormen in de kweekbak kan bestaan uit een kooldraadlamp of gewone gloeilamp(en). . Cyclus Volwassen huiskrekels prikken met hun legboor de eitjes in het afzetsubstraat. Afhankelijk van de temperatuur komen deze eieren na 12-14 dagen uit. De jonge krekels zijn zo'n 2 mm. klein en vormen een uitstekend voedsel voor bijvoorbeeld pijlgifkikkers en mantella's. Na een aantal vervellingen zijn de huiskrekels na 18 tot 21 dagen volwassen. Bij hun laatste vervelling krijgen zij vleugels en kort hierna kunnen ze vliegen. Na een week zijn de volwassen geworden krekels zelf weer geslachtsrijp en gaan eieren leggen. Al met al een snelle cyclus, die kan worden versneld door de dagen nachttemperatuur op te voeren. De vrouwtjes leggen eieren tot ze sterven. Krekels zijn alleseters. Ze accepteren een zeer uitgebreid menu aan voedselsoorten. Haver-mout, Brinta, zemelen, visvoer, honden- en kattenvoer, allerlei soorten goed gewassen groenten, fruit en ook gras. Door toevoeging van kalk en vitaminepreparaten aan het voedsel van de krekels verhogen we hun voedingswaarde. Wanneer hun maag hoogwaardig voedsel bevat, geven we dat via de krekels door aan de terrariumdieren. Doordat de meeste insecteneters van nature soortgelijke voedseldieren als huiskrekels eten, vallen deze meestal wel 'in de smaak'. Huiskrekels hebben betrekkelijk veel behoefte aan vocht. Dit kunt u geven in de vorm van voldoende 'groenvoer', of door middel van een bakje water met daarin een spons. Krekels verdrinken gemakkelijk, een bakje water vormt meestal al snel een massagraf van verdronken krekels. . Krekels voeren De krekels kunnen uit de kweekbak worden gevangen door het doosje of ander materiaal waar er veel op zitten boven een bakje of potje leeg te schudden. Let er echt heel nauwgezet op dat ze niet ontsnappen. Menig terrariumhouder heeft, samen met z'n buren en de buurt, slapeloze nachten gehad van het gesjirp van ontsnapte krekels. Let er goed op dat ook de terraria waar krekels worden gevoerd hermetisch 'krekeldicht' zijn. Een aan de aandacht van de terrariumdieren ontsnapt krekelvrouwtje kan zich misschien handhaven en gaat eieren leggen. De daar-uit komende jonge krekels kunnen op hun beurt ontsnappen en problemen veroorzaken. Om de krekels trager te maken, kunt u ze koelen in de koelkast. Krekels vormen een aantrekkelijk voedseldier. Er worden allerlei soorten krekels aangeboden, maar de gewone huiskrekel kweekt het eenvoudigst en in grote aantallen. Door er zorgvuldig mee om te gaan wordt het ontsnappingsgevaar tot een minimum beperkt. . | Een treksprinkhanenkweek in een houten kweekkkooi kan enorme hoeveelheden sprinkhanen opleveren . De sprinkhanen klitten bijeen bij de lampen waar het extra warm is . De eierstrengen zichtbaar in de glazen afzetbakken . Net uit het ei komende jonge treksprinkhanen . Altijd honger en graag gras etend . Treksprinkhanen kweken betekent: gras plukken !!! . Een speciale bodem voor eierafzetbakken . In gebruik genomen . Levert ook weer enorme hoeveelheden voedseldieren op . Net volwassen geworden wijfje . De solitaire vorm van Locusta migratoria . Niet alle sprinkhanen zijn geschikt: Hier een giftige rode sprinkhaan uit Zuid-Afrika !!! . | De treksprinkhaan Algemeen Naast de verschillende soorten krekels vormen treksprinkhanen uitstekende voedselinsekten. De bekendste soort is waarschijnlijk de Afrikaanse treksprinkhaan (Locusta migratoria). Deze wordt ook wel eens Egyptische of Europese treksprinkhaan genoemd. Zijn verspreidingsgebied strekt zich uit over Zuidwest-Europa, geheel Afrika, Centraal en Zuid-Azië tot China en Noord-Australië. De Afrikaanse treksprinkhaan behoort tot de familie van de veldsprinkhanen (Acrididae). Naast de Afrikaanse treksprinkhaan is de woestijntreksprinkhaan (Schistocerca gregaria) de meest bekende en beruchte treksprinkhaan. De woestijntreksprinkhaan komt voor in Zuid-west-Europa, de noordelijke helft van Afrika tot en met India. Beide soorten kunnen zich in massale hoeveelheden ontwikkelen. Opmerkelijk is dat beide soorten zich bij grote populatiedichtheid anders gedragen dan wanneer zij solitair leven. De solitaire vorm trekt niet en ziet er ook anders uit dan de trekkende vorm. Dit in afwijking van de overige Acrididae. . Treksprinkhanen als voedseldier Gezien de enorm snelle en massale voortplanting van treksprinkhanen ligt het voor de hand deze insecten als voedseldieren te kweken. Sprinkhanen hebben het voordeel dat zij bij eventueel ontsnappen geen 'plagen' zullen vormen in of rondom het huis doordat zij zich in vrijheid in het algemeen niet massaal kunnen voortplanten, géén geluidshinder opleveren en géén wezenlijke schade zullen aanrichten. Treksprinkhanen hebben niet, zoals krekels, de neiging om zich direct te verschuilen. Ze blijven als voedseldier in het terrarium dan ook gemakkelijk te vinden. Wel is een bezwaar dat ze aan de planten zullen knagen en daaraan schade kunnen aanbrengen. Gooi daarom nooit te veel treksprinkhanen tegelijk in een beplant terrarium. . De kweekruimte Als kweekruimte voor treksprinkhanen moet een ruime bak, bijvoorbeeld 80 x 40 x 60 (lxbxh) worden gebruikt. Deze bak mag van hout of glas worden vervaardigd. Goede ventilatie is een noodzaak en er moet metalen vliegengaas worden gebruikt omdat kunststof op den duur wordt doorgeknaagd. Een goede methode om de mest van de sprinkhanen op te vangen is de kweekbak van roosters te voorzien waar de sprinkhanen boven worden gehouden. Deze roosters moeten verwisselbaar zijn en 'meegroeien' met de sprinkhanen. Voor de kleinste sprinkhanen kan metalen horrengaas worden toegepast terwijl voor de volwassen sprinkhanen geperforeerd metaal met openingen van 55 mm kan worden gebruikt. Onder het rooster kan een lamp worden aangebracht zodat de mest uitdroogt en eventueel later door het rooster valt. Een schuiflade geplaatst onder het rooster vergemakkelijkt het op-ruimen van de mest. Een goede kweek produceert enorme hoeveelheden sprinkhanenmest. De temperatuur in de kweekbak mag overdag tussen de 30 en 40 graden Celsius schommelen. De nachttemperatuur mag teruglopen tot kamertemperatuur, maar, hoe láger de gemiddelde temperatuur, hoe tráger de voortplantingscyclus. Een goede kweektemperatuur is 34 graden Celsius bij een relatieve vochtigheid van 70%. Om de sprinkhanen zoveel mogelijk leefoppervlak te geven in hun toch betrekkelijk kleine ruimte, kunnen de wanden van de kweekbak met volièregaas worden bekleed en kunnen gazen schotjes naast elkaar aan het plafond van de kweekbak worden gehangen. . Voedsel Treksprinkhanen eten vrijwel uitsluitend grassen. Daarnaast eten ze ook wel allerlei soorten bladgroen en soms fruit. Het beste gedijen ze echter op een menu van uitsluitend gras, riet en bamboe. Daarvan verslinden ze enorme hoeveelheden. De sprinkhanen moeten regelmatig worden gevoerd. Het is beter om 10 keer per dag afgepast gras te geven, dan 1 keer per dag een heleboel tegelijk. Zorg voor goed geventileerde kweekbakken. In niet goed geventileerde kweekbakken ontstaat al gauw een vochtige atmosfeer door al het gras, waardoor de mest vocht opneemt, stinkt gaat schimmelen. In een vochtige kweekbak is infectie met mijten bijna onvermijdelijk. In de winter en andere grasschaarse perioden kan worden bijgevoederd met goed gewassen kool, sla of andijvie. . Het opzetten van een kweek Om een treksprinkhanen kweek op te zetten en te continueren is het aan te bevelen om met tenminste zo'n 10 à 15 stellen te starten. Dit kunnen nimfen (larven), maar ook volwassen sprinkhanen zijn. Als afzetbakjes voor de eieren kunnen plastic of glazen bakjes worden gegeven, die minimaal 10 cm diep moeten zijn. Als afzetsubstraat kan gewone bloemistenaarde worden gebruikt. Ook een mengsel van turf en zand kan dienst doen. Het afzetsubstraat moet enigszins vochtig zijn, niet te nat. . Cyclus Treksprinkhanen vormen aantrekkelijke voedselinsekten. Hun kweekcyclus is opmerkelijk snel: de volwassen vrouw legt eieren, die na 10-12 dagen uitkomen. Na ruim drie weken zijn de jongen volwassen en hebben vleugels. Na 10-12 dagen leggen deze jongen weer eieren. | Wasmotten in de kweek . Een wasmotlarf op het voedingssubstraat . Meerdere kweekpotten valt aan te bevelen . | Wasmotten Wasmotten (Galleria mellonella) zaten vroeger vaak als parasieten in de bijenkorven, waar zij zich voedden met de was van de honingraat. Tegenwoordig worden zij op een kunstsubstraat gekweekt voor terrariumdieren. Zowel de larf als de vlinder worden gegeten. Het eenzijdig voeren met wasmotlarven wordt afgeraden, omdat het substraat waarop zij grootgebracht worden nogal vet is. Vervetting vormt overigens een belangrijke doodsoorzaak bij terrariumdieren in het algemeen. Men is snel geneigd de dieren te overvoeren. Ook moet spaarzaam worden omgegaan met het bijvoeren van vitaminen. Overdosering met vitaminen kan leverproblemen veroorzaken. Ontsnapte wasmotlarven kunnen schade veroorzaken doordat zij zich inspinnen met omgevingsmateriaal. Hierdoor kunnen boeken, vloerbedekking, gordijnen en andere zaken, worden aangevreten en versponnen. Ontsnapte wasmotlarven in het terrarium kunnen 's nachts in ruste zijnde hagedissen, vooral jonge dieren, in hun rustplaatsen vastspinnen. Dit zal niet gauw gebeuren, maar het risico bestaat. Er zijn twee soorten wasmotten: de grote (Galeria mellonella) en de kleine (Achroe grisella) wasmot. Beide worden als voedseldieren gekweekt. | Voor het kweken van fruit- vliegen bestaan heel veel recepten. | Fruitvliegen De fruitvlieg (Drosophila melanogaster) wordt als standaardvoedsel voor pijlgifkikkers en andere kleine kikkertjes gekweekt. Ook dient hij als voedsel voor heel jonge hagedisjes, zoals jonge kameleons, daggekko's en anolissen. De larven van de fruitvlieg voeden zich met de gistingsproducten van rottend fruit. Er zijn veel recepten voor voedingsbodems voor fruitvliegen bekend en één ervan is: Bruin brood, geprakte banaan, een paar druppeltjes witte wijn een beetje gist en een mespuntje nipagine (tegen het schimmelen). Het is verstandig om regelmatig verse kweken fruitvliegen aan te maken om continuïteit te waarborgen. Er zijn gevleugelde en niet gevleugelde variëteiten, kleine en grote fruitvliegen bekend. . | | | Kamervliegen tot actie om ze te vangen. Voor kleine hagedissen en boomkikkers zijn ze uitermate geschikt. In de zomer kunnen ze met behulp van vliegenvallen worden gevangen, maar het is ook goed mogelijk om ze zelf te kweken. Dit kan met behulp van vlees bevattende droge hondenbrokken. Deze kunnen in lauw water worden geweekt. De geweekte brokken moeten met een beetje water tot een dikke brijachtige substantie worden geroerd. Hieraan moeten zemelen worden toegevoegd. Op deze voedingsbodem kan een pluk houtwol worden gelegd. De bodem wordt over kweekpotten verdeeld en deze moeten bij ongeveer 25 graden Celsius worden weggezet. Na ongeveer drie weken kan een flinke hoeveelheid vliegen worden geoogst. Net als bij het kweken van fruitvliegen is het zinvol om regelmatig nieuwe kweekpotten op te zetten om de continuïteit van het aanbod te waarborgen. Door de kweekpotten warmer of koeler te zetten kan de kweek worden versneld of vertraagd. . . | | | Terug naar boven |
|
|
|