maandag 06 september 2010
   

Bezoekers aantal

mod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_counter
mod_vvisit_counterToday45
mod_vvisit_counterYesterday233
mod_vvisit_counterThis week45
mod_vvisit_counterThis month1122
mod_vvisit_counterAll85357
.
Amfibieën PDF Afdrukken E-mail
Hoe slechter het leefmilieu
hoe meer afwijkingen: hier
een padje met vijf poten


Amfibieën

Algemeen
Amfibieën zijn tweeslachtige dieren. Dat wil zeggen dat ze een larvaal stadium kennen. In dat larvale stadium maken de meeste soorten gebruik van kieuwademhaling. Tijdens de metamorfose, een ingewikkeld proces waarbij wordt overgegaan van kieuw- op longademhaling, verlaat het dier het larvale stadium en krijgt zijn definitieve vorm: imago. Tot de amfibieën behoren de kikkers, de padden en de salamanders. Van al deze groepen zijn er specifieke waterbewoners en landbewoners. Andere hebben zich tot boombewoners ontwikkeld.
Amfibieën komen in dezelfde klimaatzones voor als reptielen. In geval van extreme koude houden zij een winterslaap.
In geval van extreme warmte en droogte houden zij een zomerslaap. Zij doen dit om als soort te kunnen overleven.
.
Inheemse amfibieën
Kikkers, padden en salamanders
Onze inheemse amfibieën blijken uiterst nuttige dieren te zijn. Ze vangen veel schadelijke insecten weg en blijken belangrijke bio-indicatoren te zijn. Ze zijn de 'graadmeters' waaraan kan worden afgelezen hoe het met het milieu en met de kwaliteit van hun natuurlijke leefgebieden is gesteld. Uit veel chemisch vervuild water zijn de kikkers verdwenen.
Echter, als gevolg van een gericht milieubeleid, blijkt dat ze op veel plaatsen weer terugkomen. Net als de reptielen zijn alle inheemse amfibieën door de Nederlandse natuurbeschermingswet beschermd.
Wij hebben in Nederland nog steeds 6 soorten kikkers, 5 soorten padden en 5 soorten salamanders.
.
De europese boomkikker
.
een blauw exemplaar
.
De Amerikaanse tegenhanger
van onze boomkikker
Inheemse kikkers
De meest algemene kikkersoort in Nederland is de bruine kikker (Pelophylax temporaria). Deze soort komt voor in Noorden Midden-Europa, Azië, tot in Japan. Er zijn meerdere ondersoorten van beschreven.
De bruine kikker (Pelophylax temporaria) is een kikker die zich gemakkelijk aanpast. Hij stelt geen specifieke eisen aan zijn biotoop, anders dan dat het in enige mate vochtig moet zijn. Ze kunnen tot 10 cm groot worden en voeden zich met levende insecten, slakken en wormen.
De heikikker ( Pelophylax arvaIis) behoort tot de bruine kikkers en is daarvan de zeldzaamste soort. Hij komt voor in midden Europa, tot in Noord-Zweden, en Rusland. Hij wordt in Nederland veelal in veenachtige gebieden en graslanden gevonden.
De soort leeft in geïsoleerde groepjes en zijn aantal is de laatste jaren helaas sterk teruggelopen.
De meerkikker of grote groene kikker (Pelophylax ridibunda) komt voor in Noord-Afrika, Zuid- en midden Europa, tot en met het westen van Azië. Hij is de grootste van onze kikkers en wordt tot 15 cm. De mannetjes blijven wat kleiner dan de wijfjes. Ze eten hetzelfde als de bruine kikker, maar pakken ook muisjes, kleine hagedissen en andere kikkers.
Afhankelijk van het voedselaanbod kan hun grootte verschillen. Ze overwinteren in de modderige bodems van poelen en plassen en in het voorjaar kunnen grote wijfjeswel 10.000 eieren produceren.
De waterkikker, poelkikker of gewone groene kikker - tegenwoordig: bastaardkikker (Pelophylax esculenta) is de bekendste kikker van de groene kikkers. Ze worden ook wel de boerennachtegaal genoemd vanwege hun gekwaak dat in koren tot ver in de omgeving te horen kan zijn. Hij komt voor in geheel Europa, tot aan de Wolga. Hij geeft de voorkeur aan gebieden met ondiepe poeltjes en plassen, maar stelt voor het overige ook weinig eisen aan zijn biotoop.
Naast deze twee bekende groene kikkers kennen we in Nederland ook nog de middelste groene kikker (Pelophylax lessonae).
Het staat echter nog ter discussie of dit werkelijk een afzonderlijke soort is of een ondersoort van de gewone groene kikker. Waarschijnlijk is het een kruising tussen de meer- en de poelkikker.
Een opmerkelijke en helaas ook zeldzame verschijning in Nederland is de boomkikker (Hyla arborea). Deze soort heeft een heel groot verspreidingsgebied: Zuid- en midden Europa, Noord-Afrika, Klein-Azië tot de Japanse archipel. Het is een landbewonende kikker die tot 5 cm groot wordt. De kleur is groen, maar ze kunnen van kleur veranderen. Ze kunnen van grasgroen, naar grijs, bruin en geel verkleuren. Deze verkleuring heeft alles te maken met temperatuur en gemoedstoestand. Het zijn kleine insecteneters die met flinke sprongen, van tak naar tak, hun prooien bemachtigen. Met behulp van hechtschijfjes aan hun vingers en tenen kunnen zij zich gemakkelijk, ook op gladde oppervlakken, vasthouden.
.
 
Inheemse padden
De gewone pad (Bufo bufo) komt voor in vrijwel geheel Europa en Azië. Hoewel hij nog steeds heel algemeen is, worden zijn biotopen bedreigd. De gewone pad is variabel van kleur, geelachtig, bruin tot vrijwel zwart. Het is een schemer en nachtactief dier en trekt zich overdag terug op donkere, vochtige plekken onder stenen en stronken. De mannetjes kunnen een kort knorrend gekwaak laten horen. Ze leggen hun eieren bij voorkeur op de plaats waar ze zelf werden geboren en leggen soms hele afstanden af om die plaatsen weer te bereiken. Hierdoor ontstaat in het voorjaar de zogenaamde paddentrek. Tijdens deze trek worden veel dieren het slachtoffer van auto's en ander verkeer. Momenteel worden er hier en daar paddentunnels onder wegen aangelegd om de dieren voor dit doodrijden te behoeden.
De rugstreeppad (Bufo calamita) dankt zijn naam aan de gele rugstreep. Het is een klein dier dat tot 8 cm wordt. Deze padden springen veel meer dan dat zij lopen. Hij leeft vooral op het platteland en komt voor in Zuid-Europa tot aan Polen. In Nederland is hij behoorlijk algemeen. Hij wordt meestal pas na de schemering actief en daarom hebben veel mensen hem nog nooit gezien. Qua voedselgedrag wijkt hij niet af van andere padden.
De vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) is een onopvallend padje dat nauwelijks meer dan 5 cm groot wordt. Hij komt voor in West-Europa, vanaf Frankrijk tot het Duitse Harzgebergte. In Nederland wordt hij uitsluitend in Zuid- Limburg gevonden. De soort dankt zijn naam aan het gedrag waarbij het mannetje de snoeren eieren om zijn achterpoten windt en verzorgt. Na ongeveer een maand laat hij de larven in stilstaand water uitkomen. Pas na een jaar metamor-foseren de larven en komen de padjes op het land.
De knoflookpad (Pelobates fuscus) wordt tot 8 cm. Hij heeft een groot verspreidingsgebied, van Rusland tot Frankrijk. Hij komt zeldzaam voor in Oost-Nederland. Meestal houdt hij zich op in de buurt van rivieren, maar heeft een uitgesproken voorkeur voor terreinen met grof los zand. Wanneer zij worden beetgepakt scheiden zij een stof af die naar knoflook ruikt. Er zijn meerdere soorten knoflookpadden.
De geelbuikvuurpad (Bombina variegata) komt voor in Midden- en West-Europa, met uitzondering van Spanje en Portugal,
tot voorbij de Karpaten. In Nederland komt hij uitsluitend in het heuvellandschap van Zuid-Limburg voor. Hij is sterk aan water gebonden. Het is een bijna aquatiele pad, die vrijwel altijd in het water te vinden is. Ze worden tot 5 cm groot. Wanneer de dieren zich bedreigd voelen, draaien zij zich op hun rug en tonen hun felle geelzwart gevlekte buikzijde. Bovendien scheiden zij als verdediging gelijkertijd een vergif uit.
.
 
Inheemse salamanders
Salamanders worden vaak met hagedissen verward. Toch zijn er heel duidelijke verschillen. De slijmhuid van de salamander verschilt duidelijk van de hoornhuid van de hagedis. Salamanders zijn gebonden aan een min of meer vochtige omgeving. Er worden land- en watersalamanders onderscheiden.
Een echte landsalamander is de vuursalamander (Salamandra salamandra ). Deze soort wordt tot 20 cm en wordt als een van de mooiste amfibieën van Europa beschouwd. Hij heeft een gladde huid en een felle geelzwarte tekening. Het is een nachtdier dat zich voedt met slakken, regenwormen, larven van kevers en trage andere insecten. Hij komt voor in Europa en Noordwest-Afrika. Hij leeft in loofbosgebieden. In Nederland hier en daar in Zuid-Limburg, vooral in beukenbossen met poeltjes helder water. In Duitsland en België is hij veel meer algemeen. Vuurslamanders paren op het droge en het volgende jaar werpt het wijfje 50-70 larven in het water. Deze larven zijn al zo'n 3 cm lang en hebben reeds pootjes. Daarna metamorfoseren de larven na ongeveer drie maanden en verlaten het water. Vuursalamanders leven solitair maar overwinteren soms op gezamenlijke overwinteringplaatsen.
De alpenwatersalamander (Mesotriton alpestris) komt voor in Midden-Europa, tot in Frankrijk en het noordwestelijke deel van Spanje en Noord-Italië. In Nederland komt hij voor op enkele plaatsen in het Oosten en het Zuiden. Hij heeft een voorkeur voor poeltjes in heuvelachtig terrein. Ze overwinteren op het droge. Ze worden meestal niet groter dan 12 cm.
De kamsalamander, of grote watersalamander (Triturus cristatus) kan tot 18 cm lang worden. De soort komt voor in midden en West-Europa. In Nederland is hij vrij algemeen. Ze voeden zich met allerlei waterinsecten, wormen en slakjes. Volwassen dieren zijn zeer vraatzuchtig en vergrijpen zich probleemloos aan kleinere soortgenoten.
De vinpootsalamander (Triturus helveticus) komt voor in een groot deel van West-Europa. In Nederland komt hij voor in Brabant en Zuid-Limburg. Meestal wordt hij gevonden in grote poelen en plassen, soms zelfs in langzaam stromend water, maar bij voorkeur op plaatsen waar veel waterplanten groeien. Een kenmerk van deze soort is het draadachtige uitsteekseltje aan het einde van de staart. Hoewel het een zoetwatersalamander is, worden ze hier en daar ook in licht brak water gevonden, waar ze zich ook kunnen voortplanten.
De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) is de meest van Europa en komt in vrijwel geheel Europa voor. Hij wordt zo'n 10 lang. Van april tot en met juni houdt hij zich in het water op. Daarna klimt hij op het land en zoekt daar de vochtige plaatsen op zoals o.a. vermolmd hout en mos. Hier overwintert hij ook. Ze worden vaak met grote aantallen bij elkaar aangetroffen.
.
Hyalinobatrachium fleishmanni
.
Hyla leucophyllata
.
Een palmsalamander
.
Uitheemse amfibieën
.
Algemeen
Voor de terrariumhouder zijn de uitheemse amfibieën het meest interessant. Er zijn allerlei prachtige pijlgifkikkers, mantella's, kleine boomkikkertjes en padjes die zich uitstekend lenen om in een fraai ingericht regenwoudterrarium of paludarium te verzorgen. Veel soorten kunnen gemakkelijk worden gekweekt. Het voordeel van het kweken met amfibieën is dat het meestal gelijk grote aantallen nakomelingen oplevert. Welbeschouwd zouden amfibieën op grote schaal gekweekt moeten worden om de noodzaak van importeren te verkleinen of zelfs uit te sluiten. Een vergelijkbare ontwikkeling treffen we aan bij de kweek van veel soorten tropische vissen.
.
Uitheemse salamanders
Salamanders worden onderscheiden in land- en watersalamanders. De landsalamanders voeden zich hoofdzakelijk met regenwormen en kleine slakken. Doordat landsalamanders erg veel natuurlijke vijanden hebben leven zij meestal een zeer verborgen, teruggetrokken leven. Als terrariumdieren zijn zij daardoor minder interessant.
Er zijn landsalamanders die in bomen leven. Dat zijn de palmsalamanders (Bolytoglossa). Zij vertonen overeenkomsten met de ontwikkeling van kameleons. Ze hebben een grijpstaart, zijn zeer traag, en hebben een tong waarmee ze insecten kunnen vangen.
Veel landsalamanders zijn fel gekleurd en geven daarmee aan of suggereren dat zij giftig zijn.
De watersalamanders kunnen het beste in een aquarium worden gehouden. Veel soorten verblijven enkele perioden van het jaar ook op het land. Een gemakkelijk bereikbaar droog landgedeelte moet daarom wel beschikbaar zijn.
.
Ambystoma mexicanum
.
eet grote treksprinkhaan
.
Rhinella marinus
Reuzenpad, Suriname
.
Bufo viridis
Groene pad, Tunesie
.
Megophrys monticola nasuta
Bladkikker van Borneo
De Axolotl
De Axolotl (Ambystoma mexicanum) komt oorspronkelijk uit Mexico, uit het Xochimilcomeer. Hij kan daar behoorlijke temperatuurverschillen ondergaan. In de zomer kan de temperatuur oplopen tot boven de 20 graden terwijl de temperatuur in de winter tot 10 graden daalt. De Axolotl is een voorbeeld van een diersoort waarvan er veel meer in gevangenschappopulaties aanwezig zijn dan in de natuur. Hij is zeer gemakkelijk te kweken. Sommige exemplaren blijven hun gehele leven in het larvale stadium.
.
De Amerikaanse geelbuiksalamander
De Amerikaanse geelbuiksalamander (Taricha torosa) komt uit Californië en de gehele Verenigde Staten tot Zuid-Alaska. Hij is hoofdzakelijk oranje van kleur. Ze worden tot 18 cm lang. Ze hebben een ruwe huid. In het voorjaar zoeken ze hun broedwateren op.
In het terrarium of aquarium stellen ze koel helder water op prijs. Ze houden een winterslaap van enkele maanden.
.
De krokodilsalamander
De krokodilsalamander (Tylototriton verrucosus) komt uit India, Thailand en Viëtnam. Ze leven in berggebieden tot 3000 meter hoogte. De soort wordt gekenmerkt door een ruwe huid, een grote hoekige kop en een ronde lange staart. De basiskleur is zwart. De kop is okergeel tot oranje van kleur, evenals de poten en de staart. Vanaf de kop loopt er een gelijkkleurige lengtestreep naar de oranje kleur van de staart. Aan weerszijden van deze middenstreep lopen 2 rijen oranjekleurige knobbels, juist boven de zijkant van het lichaam.
Het is bodembewoner die een verborgen leven leidt.
.
Uitheemse padden
Koreaanse vuurbuikpad
Het geslacht vuurbuikpadden (Bombina) telt vier bekende soorten. Het gaat hier om kleine (6 cm), platte padjes. Het zijn sterk waterminnende dieren die in een oeverterrarium kunnen worden gehouden. Voor de beginnende liefhebber is de Koreaanse vuurbuikpad (Bombina orientalis) een ideaal dier om de liefhebberij mee te beginnen. Deze soort is afkomstig uit Korea, China en het oosten van Rusland. Van nature leven ze in ondiepe poeltjes en licht stromend water in heuvel- en bergland.
.
De reuzenvuurbuikpad (Bombina maxima) leeft in stilstaand water in het hooggebergte.
Het zijn kleine insecteneters. Ze zijn actief en happen naar alles wat beweegt. Ze kunnen relatief grote prooien verorberen.
.
De reuzenpad
De reuzenpad ook agapad (Rhinella marinus) komt oorspronkelijk uit het zuiden van Texas, maar is te vinden tot in Argentinië. Het is een grondkleurige grote pad die tot 30 cm groot kan worden. Zijn verspreidingsgebied is inmiddels uitgebreid omdat hij in veel tropische landen werd uitgezet om insecten te bestrijden. Zo komt hij nu o.a. ook voor in Australië en Nieuw-Guinea.
Andere groot wordende padden zijn Bufo blombergi (23 cm)uit Colombia en Bufo guttatus (18 cm) uit Brazilië. Het zijn alle grote insecteneters, als zij ze te pakken krijgen, ook kleine knaagdieren verorberen.
.
Hoornpadden
Hoornpadden (Ceratophrys) komen voor in tropische en subtropische delen van Zuid-Amerika. Er zijn zo'n 15 soorten bekend. Het zijn plompe padden met een buitengewoon grote kop en bek. De breedte van de bek is bij sommige soorten ongeveer de helft van de kop-romplengte. Boven de ogen hebben zij puntig uitlopende uitsteeksels waaraan zij hun naam danken. Het zijn dieren die een rustig bestaan leiden. Zij graven zich overdag in zodat enkel de ogen boven de kuil uitsteken. Zo loeren zij op voorbijkomende prooien die kunnen variëren van insecten tot soortgenoten, kleine zoogdieren en reptielen. In principe eten ze alles wat leeft en wat ze kunnen doorslikken.
Ceratophrys cornuta, afkomstig uit Noordoost-Brazilië, Guyana en Ecuador. Deze soort wordt tot 20 cm.
Ceratophrys ornata, afkomstig uit Brazilië en Argentinië. Deze soort wordt tot 12 cm. Hij is fel groen van kleur met grote roodzwarte, geelomrande vlekken.
.
.
Boomkikkers
.
Algemeen
Boomkikkers komen ook in alle gematigde en warmere gebieden van de wereld voor. Zoals eerder beschreven kennen we er in ons land ook een. De meeste boom- en rietkikkers leven in tamelijk directe omgeving van water. De meeste zijn voor de voortplanting op water aangewezen. Kenmerkend voor de boomkikkers zijn hun zuignappen waarmee ze
zich op bladeren en takken kunnen vasthouden. Ze hebben zelfs houvast op glad oppervlak zoals glas.
De meeste soorten eten kleine en grote insecten en zijn in de schemer en nacht actief.
Uit Afrika komen de zogenaamde rietkikkertjes (Afrixalus en Hyperolius). Dit zijn klein blijvende kikkertjes, 3 tot 4 cm, die altijd in de buurt van water te vinden zijn. Overdag zitten ze verscholen in het riet en op over het water hangende planten.
Uit Midden- en Zuid-Amerika komen de makikikkers (Agalychnis en Phyllomedusa), trage boombewoners met lange poten. De bekendste is de roodoogkikker (Agalychnis callidryas) uit Costa Rica. Deze soort wordt tot 7 cm. De mannetjes blijven kleiner. Het is een aantrekkelijk gekleurde boomkikker, helder groen van kleur, met gele en blauwe strepen aan de zijkant en de dijen en fel oranje vingers en tenen. De iris is rood.
Voor mooie foto's en meer info over de roodoogkikker, klik: (hier)
Een grote groep vormen de Hyla's. Een bekende soort is de Amerikaanse boomkikker (Hyla cinerea). Deze is groen met een geelwitte onderkant. Het is een slanke sterke boomkikker die gemakkelijk gehouden kan worden. Het dier is ook geschikt voor een goed afgeschermd buitenterrarium.
Een bizarre boomkikker die behoort tot de hyla-achtigen is Triprion spatulatus. Voor meer info en foto's klik: (hier)
Opmerkelijke kikkers zijn de buidelkikkers (Gasterotheca). Deze komen uit de regenwouden van Midden- en Zuid-Amerika.
Buidelkikkers hebben een huidplooi waardoor de vrouwtjes de eieren na de bevruchting kunnen opslaan en laten ontwikkelen.
Door de ontwikkelende eieren zwellen de kikkers als een kleine tennisbal. Zodra de larven daar aan toe zijn brengt het vrouwtje ze naar het water en laat ze vrij.
De bekendste soort is de gewone buidelkikker (Gastrotheca marsupiata) Deze soort is afkomstig uit Ecuador. Hij wordt tot 6 cm. De soort is bijzonder variabel van kleur. Deze variatie is al aanwezig binnen één legsel. De soort wordt regelmatig door terrariumhouders gekweekt.
.
.
Dendrobates tinctorius (was: D. azureus 1969; drs Hoogmoed)
Suriname; Sipalawini
.
1978; Colombia;
Choco-indianen
.
Mintgroene varieteit
.
.
chocoensis
.
.
Venezuela, northern Brazil,
Both Guyana's and the south
east of Colombia
.
Exemplaar met larven op de
rug
.
Pijlgifkikkers
.
Algemeen
Pijlgifkikkers (Dendrobatidae) zijn de laatste jaren bijzonder populair geworden. Dat is op zich niet verwonderlijk. Het zijn dagactieve, fraai gekleurde, klein blijvende kikkertjes. Vele kunnen prachtige fluitende geluiden maken. Daarnaast hebben ze een intrigerend voortplantingsgedrag. Er zijn veel manieren waarop kikkers zich voortplanten, variërend van de bekende wijze waarop onze inheemse kikkers in snoeren of klonten in het water leggen tot: rug-broeders (Pipa), buidelbroeders (Gastrotheca), maagbroeders, bekbroeders en nog meer specialismen.
Pijlgifkikkers komen aan hun naam doordat Zuid-Amerikaanse indianen het gif van deze kikkers gebruiken om de pijlen voor hun blaaspijpen mee te bewerken voor de jacht. Phyllobates terribilis is nog steeds het meest giftige dier ter wereld.
Er zijn inmiddels zo'n 65 soorten pijlgifkikkers beschreven. Pijlgifkikkers zijn niet gevaarlijk voor de mens. Slechts wanneer het gif van deze kikkers rechtstreeks in het bloed terecht zou komen (wondjes) dan zou dit irritatie en zelfs ontstekingen en koorts kunnen veroorzaken. Was na het beetpakken van pijlgifkikkers voor alle zekerheid toch even de handen.
Het is verstandig om in een terrarium niet meer dan één soort per terrarium te houden. Dit vanwege het overzicht en omdat soorten elkaar kunnen aantasten met hun verschillende soorten huidgif.
.
Het natuurlijke biotoop
Pijlgifkikkers komen uit de tropische, vochtige regenwouden van Zuid- en Midden-Amerika. Ze komen voor op plaatsen waar het hele jaar door een betrekkelijk constant klimaat heerst en waar een enorm aanbod aan kleine insecten beschikbaar is. De temperaturen in hun biotopen schommelen meestal tussen de 20 en 30 graden Celsius. Er zijn soorten (Dendrobates quinquevittatus) die graag in en rondom bromelia's leven, waar zij profijt hebben van het water dat zich in de kokers van deze planten verzamelt. Zij zitten soms in bromelia's op meer dan vier meter hoog in de bomen. Sommige bromelia's hebben meer dan een liter water in hun koker staan; een ware minivijver met een geheel eigen fauna erin.
.
Bekende pijlgifkikkers van het genus Dendrobates:
De gouden pijlgifkikker (Dendrobates auratus) komt voor in Nicaragua tot Costa Rica en van Panama tot Colombia.
Deze soort wordt vaak gevonden in cacaoplantages, waar ze zich graag ophouden tussen de afgevallen bladeren van deze planten. Helaas worden, als gevolg van ontginningen van het regenwoud, grote delen van hun natuurlijke biotopen vernietigd. Vooral in Panama is dat het geval. Zij komen vaak voor in slechts kleine biotopen, begrensd door natuurlijke barrières, zoals beekjes, veranderende vegetaties. Er zijn verschillende kleurvariaties van deze soort. Het is goed om deze soort in het terrarium als kleine groepjes te verzorgen.
Naast bromelia's is er een anthurium (Anthurium christallinum) die door deze kikkers in het terrarium hoog wordt gewaardeerd. De gouden pijlgifkikker gaat in het terrarium meestal snel tot voortplanting over.
De blauwe pijlgifkikker (Dendrobates azureus) komt uit het Sipaliwinigebied van Suriname, vlak bij de Braziliaanse grens. Het is een betrekkelijk zeldzame, en beschermde soort. Het is een soort voor de gevorderde pijlgifkikkerliefhebber. Voor meer info en foto's klik: (hier)
De blauwe pijlgifkikker behoort tot de groter wordende soorten (4 -4,5 cm). In het terrarium is het een brutale soort die zich over het algemeen goed laat zien.
Dendrobates fantasticus komt uit de Andes van Peru. De soort leeft hoofdzakelijk in de bomen van het regenwoud, meestal zo'n anderhalve meter boven de grond. Hij houdt van een hoge luchtvochtigheid. Het zijn snelle, actieve kikkertjes. De larven van deze soort zijn agressief en moeten afzonderlijk worden grootgebracht.
Dendrobates granuliferus is een kleine pijlgifkikker, tot 20-22 mm. Deze soort komt uit Costa Rica. De soort is sterk in het terrarium, maar moeilijk te kweken. De larven moeten worden gevoed met eiwit. Volwassen exemplaren maken een mooi trillend fluitend geluid. Het zijn dieren die graag en veel klimmen.
Dendrobates leucomelas is een opvallende, geel/zwart, gekleurde pijlgifkikker, afkomstig uit Venezuela. Deze soort vindt men meestal op de grond. Ze worden niet groter dan 4 cm. Ze hebben veel behoefte aan warmte en kunnen bij temperaturen tussen de 24 en 30 graden Celsius worden gehouden. Dan zijn ze ook vrij gemakkelijk te kweken. Het aantal eieren kan variëren van 5 tot 12. Meer foto's en info klik: (hier)
Het aardbeikikkertje (Dendrobates pumilio) komt uit Noord-Nicaragua, Costa Rica en West-Panama. Er zijn veel kleurvariëteiten van bekend met rood, geel, goud, bruin, oranje, groen en zelfs blauw. Vaak hebben ze een stippentekening. Het zijn grondbewoners die ook wel eens klimmen. Deze soort houdt van hogere temperaturen in het terrarium (25-30 graden Celsius). Ze houden van zon. Het zijn actieve, kleine kikkertjes (18 -24 mm). De larven van deze soort worden met speciaal hiervoor geproduceerde voedseleieren door het vrouwtje grootgebracht.
Dendrobates tinctorius, is een van de fraaiste pijlgifkikkers, afkomstig uit Suriname, Frans-Guyana en Guyana en de grensgebieden van Brazilië. Hij komt voor in het laagland van het tropisch regenwoud van 400 tot 1.500 meter. Per vindplaats kunnen de dieren sterk van kleur en tekening verschillen. Het is een van de grootste pijlgifkikkers (tot 6 cm); de vrouwtjes worden groter en forser dan de mannetjes. Zij houden van een dicht beplant terrarium met Philodendrons en Bromelia's.
Naast fruitvliegen pakken zij ook veel grotere prooien zoals krekels, kleine motten en rupsjes.
Andere bekende soorten zijn Oophaga histrionica, Ranitomeya fantastica, O. lehnmanni (meer foto's en info klik: (hier), D. quinquevittatus, D. reticulatus, D. speciosus. Met dank aan Loek van de Klugt die een aantal wetenschappelijke namen voor mij corrigeerde. Nog een opmerking van Loek: De Australische Litoriasoorten zijn Pelodryas geworden. De Hylasoorten: H. Punctata, boans, crepitans, faber en geographica, behoren nu tot het geslacht Hypsiboas (de uitgang a verandert daarbij in us.
Phrynohyas venulosa en P. residifictrix behoren nu tot Trachycephalus. De uitgang a wordt ook daarbij us. Dat is wel lastig met de wetenschappelijke naamgeving. Door diepgaander en gedetaillerder onderzoek veranderen steeds heel veel koudbloedigen van naam.
.
Bekende pijlgifkikkers van het genus Phyllobates:
Phyllobates bicolor wordt tot 4 cm. Deze soort komt uit West-Colombia en wordt tot een hoogte van 1500 meter gevonden. De kleur is roodachtig met een zwarte onderrug.
Phyllobates lugubris lijkt sterk op Phyllobates vittatus en werd daarmee vroeger ook vaak verward. Deze soort blijft echter kleiner dan P. vittatus. Phyllobates vittatus komt voor in vrijwel het gehele Amazonegebied. Hij leeft op de grond en klimt op omgevallen bomen en in lage begroeiing. De kleur is zwart met twee gele tot oranje lengtestrepen op de rug Phyllobates terribilis is de giftigste pijlgifkikker. Hij wordt ongeveer 5 cm en behoort daarmee tot de grotere soorten. De soort is afkomstig uit West-Colombia. Ze leven dichtbij de grond in het lager gelegen regenwoud. Vaak in de buurt van riviertjes. De kleur is hoofdzakelijk geelachtig, geelachtig groen of oranje.
Phyllobates tricolor komt uit Ecuador. Deze pijlgifkikker leeft in de Andes tussen de 1200 en de 1800 meter boven zeeniveau. Ze zijn donker, leverkleurig en hebben meestal drie geelwitte lengtestrepen. De vrouwtjes zijn wat plomper en worden groter dan de mannetjes. Het zijn zeer levendige kikkertjes.
Phyllobates vittatus is lange tijd een van de meest populaire pijlgifkikkers geweest. De soort komt uit de lager gelegen regenwouden van Costa Rica. Ze leven dichtbij de grond in de daar aanwezige vegetatie. het zijn geen echte klimmers. Ze zijn gemakkelijk te houden en te kweken. De vrouwtjes worden met 3 cm iets groter dan de mannetjes. De grondkleur is zwart met twee goud, geel, of oranje gekleurde lengtestrepen die lopen vanaf het puntje van de neus, over de kop tot over de onderkant van de rug. Voor meer info en foto's klik: (hier)
De meeste Phyllobatessoorten staan bekend om het melodieuze gefluit van de mannetjes.
.
Dendrobates auratus
De gouden pijlgifkikker (Dendrobates auratus) in "mijn tijd" heel populair 
.
Mantella cowani
.
Mantella madagascariensis
.
Mantella spec.

Mantella's
Mantella's (Mantella) zijn fraaie dagactieve kikkertjes die qua grootte en kleurvariatie met de pijlgifkikkers kunnen wedijveren. Ze komen voor op Madagaskar. De meeste soorten bereiken een lengte tot 3 cm. Ze leven in de tropische regenwouden op de berghellingen. Ze hebben geen zwemvliezen, maar wel duidelijke hechtschijfjes aan de vingers. De mannetjes kunnen een tjirpend geluid maken. Het zijn kikkertjes die op de grond leven. De eieren worden kort voor het natte seizoen op plekken gelegd waar de larven door het wassende water kunnen worden meegevoerd en in plassen en poeltjes terecht kunnen komen. Ze worden gevoed met fruitvliegen, eendagskrekeltjes en zeer fijn weideplankton. Aanvankelijk was het moeilijk om met deze dieren in het terrarium te kweken, maar momenteel worden steeds meer nakweekdieren aangeboden. Het regenwoudterrarium of een bak gelijk aan die voor pijlgifkikkers, behoeft niet groot te zijn. Een bakje van 60x30x30 cm is voldoende.
De gouden mantella (Mantella aurantiaca) is fel oranje van kleur.
Een andere bekende mantella is de bonte mantella (Mantella madagascariensis - vroeger: M. cowani), eveneens van Madagaskar die grote zwarte, gele en oranje vlekken heeft.
De laatste tijd worden er meer soorten mantella's aangeboden die in principe ongeveer dezelfde verzorging vereisen.

In de loop der tijd heb ik ook enkele Atelopus soorten gehad en gefotografeerd. Om daar naar toe te gaan klik: (hier)



















 
© 2010 Bart Laurens
Joomla! is Free Software released under the GNU General Public License.

www.studentsdesign.de